| De burcht werd
in 1224 door de bisschop verwoest. Het kasteel bestaat nu niet meer. In
1840 werd het kasteel afgebroken. Slechts de slotgracht en de waterput
zijn gebleven.
In het midden van de 12e eeuw worden
Diedric en Wermbolt van Buckhorst genoemd als ridders en getuigen bij
een geschil tussen Godfried van Rhenen, bisschop van Utrecht en graaf
Floris van Holland. Zij waren trouwe vazallen van de bisschop en dat
bleven ook de nazaten van van Diedric en zijn zoon toen zij optrokken
tegen de burchtgraaf Rudolf van Coevorden en in de roemruchte slag bij
Ane in 1227 met hun bisschop in het moeras sneuvelden.
In 1338 is het Johan van Buckhorst die
in de strijd tussen Reynald en Eduard van Gelre partij kiest voor de
wettige erfgenaam Reynald. In 1405 was er weer een Johan van Buckhorst
die de waardigheden bekleedde van drost van Coevorden en Drenthe. In
1501 overleed een Willem van Buckhorst, die 2 keer getrouwd was geweest
en uit elk huwelijk een zoon had.
Johan de oudste kreeg het kasteel en
Arnold de jongere beschuldigde hem dat hij zich erfzaken die aan hem en
zijn broers en zusters toekwamen had toegeëigend. Op verraderlijke
wijze wisten de Zwollenaren Johan in 1521 gevangen te nemen, waarna zij
het kasteel in bezit namen. Dit duurde tot 24 augustus 1524, toen hertog
Carel van Gelre het kasteel overmeesterde en Johan weer vrijkwam.
Op 11 maart 1580 werd Floris van
Buckhorst met de heerlijkheid beleend. Hij was gehuwd met Anna Bentinck.
Hij overleed kinderloos in 1587. Zijn weduwe hertrouwde met Goossen van
der Lauwick, drost van Bredevoord. Daarna kwam het in andere handen.
In 1779 herkreeg het nog iets van de
oude luister toen Berend Hendrik baron Bentinck de naam Buckhorst had
aangenomen en op het kasteel van 1813 tot 1830 als gouverneur van
Overijssel zetelde. Hij overleed in 1839.
Zijn uitgestrekte bezittingen werden in
59 percelen bij openbare veiling verkocht en brachten de toen niet
onaanzienlijke som van 245.455,- gulden op. Het kasteel werd in 1841
gesloopt.
|